Twee elementen vormen de basis voor vrijmetselaren. Het ene element is de door mensen gestelde vraag naar zelfkennis en naar de verhouding tot de medemens. Het andere element betreft de onderkende tegenstelling tussen goed en kwaad ofwel de tegenstelling tussen licht en duisternis.
Het ontwikkelen van zelfkennis wordt door de vrijmetselaar gezien als een voortdurend bouwen aan zichzelf. Daarnaast moet hij ook werken (bouwen) aan zijn relatie met de medemens.
Algemeen neemt men aan dat de vrijmetselarij rechtstreeks is voortgekomen uit de middeleeuwse steenhouwersgilden. De werkplaatsen van die gilden, in het Engels lodges (loges) geheten, worden verzamelplaatsen van geschoolde en onafhankelijke mannen. Dit is de reden dat ze op de Britse eilanden "Free-masons" worden genoemd.
Op het vasteland wordt die benaming verwoord tot "vrije metselaren". De gilden krijgen een sociale functie en vormen daarmee in zedelijk opzicht een leerschool.
De loges van vrijmetselaren worden in latere jaren, "werkplaatsen" van de steenhouwers, meer en meer bevolkt door notabelen, wetenschappers, kunstenaars, schrijvers, filosofen e. d.
Langzamerhand verdwijnen ze als typische ambachtsgilden.
De analogie van de gilden blijft echter behouden. Die analogie houdt onder meer in dat nieuwe leden op grond van hun ervaring leerling, gezel en tenslotte meester kunnen worden.
In een puur symbolische beoefening van het ambacht van steenhouwer zien de vrijmetselaren aanknopingspunten voor de vraag naar de zin van het bestaan. Immers de echte steenhouwers bewerken ruwe steen tot zuivere bouwstenen voor bouwwerken die uitmunten in schoonheid.