Het verlangen

Minimaliseren

HET VERLANGEN VRIJMETSELAAR TE WORDEN
een bouwstuk opgeleverd in de Loge ‘le Préjugé Vaincu’ op 8-11-2011

De redenaar van onze loge heeft ‘Het Verlangen’ als thema gekozen voor dit werkjaar. Met dit thema kun je veel kanten op. Maar omdat we hier vandaag ook met een aantal belangstellenden bijeen zijn, heb ik als onderwerp voor dit bouwstuk gekozen voor ‘Het verlangen vrijmetselaar te worden’. Ik ga er van uit dat onze gasten hier aanwezig al heel wat informatie over de vrijmetselarij tot zich hebben genomen. In dit bouwstuk wil ik terugblikken op mijn eigen aanmelding destijds en op de verlangens die ik toen koesterde.

Ik neem u eerst mee naar een zaterdag in de nazomer van 1988. Met een groep vrienden waren mijn vrouw en ik een dag bijeen rond een thema, zoals we dat toen al een jaar of tien deden, zo’n keer of zes per jaar. De thema’s hadden en hebben doorgaans betrekking op kunst, cultuur en geestelijk leven. Die keer vormde poëzie het thema. We lazen elkaar onze favoriete gedichten voor. Voor die gelegenheid had ik ook een eigen gedicht geschreven.  dat ik toen voorlas. Het gedicht met als titel ‘Evaluatie’ eindigde als volgt:

        Morgen is er weer een dag.
        Wat krijg ik voor elkaar?
        Te zijn of niet te zijn,
        ik word vrijmetselaar.

Ik herinner me dat dit gedichtje nogal wat losmaakte: hoezo, waarom vrijmetselaar?
Zeker niet vanuit een persoonlijke crisis. Ik had een prachtige baan, uitdagend werk in een goed team vol bezieling. Op het begrip bezieling zal ik in dit bouwstuk nog enkele keren terugkomen. Maar het werk had ook een duidelijke schaduwzijde: ik kreeg steeds minder tijd voor mezelf en voor mijn gezin. Te weinig kwam ik toe aan persoonlijke bezinning. Van de katholieke kerkgemeenschap, waarin ik in de beginjaren zeventig heel actief was, was ik  vervreemd geraakt. Ik raakte ook van God los, tenminste als ik daaronder versta een persoonlijke God. Mijn religieus besef, het verlangen opgenomen te zijn in een bezield verband, bleef sluimerend aanwezig. Ik ging op zoek naar een nieuwe inspiratiebron buiten godsdienst en kerk, maar wel gericht op geestelijke ontwikkeling en groei. Een voorlichtingsavond hier in de loge zette me op een spoor en ruim een jaar later besloot ik mij als kandidaat aan te melden. Wat daarbij ook een rol speelde was mijn hang naar rituelen.
In mijn jeugd raakte ik geboeid door de geuren, kleuren en klanken van de rituelen rond de kerkelijke feestdagen, de goede week-plechtigheden, de nachtmis met kerstmis, de processie langs de velden bij het begin van de zomer als het gewas gezegend werd en alle heiligen werden aangeroepen in een lang litaniegezang, enz. Voor mijn gevoel vormden in mijn jeugd het sacrale en het profane een natuurlijke eenheid. De symboliek in de katholieke ritus sloot ook aan bij de sfeer van de seizoenen, zoals de indrukwekkende Gregoriaanse hymne ‘Rorate caeli desuper et nubes pluant justum’. We zongen het in de verstilde adventstijd, een lied vol verlangen naar gerechtigheid, gebaseerd op een tekst van de profeet Jesaja. Toch kwam mijn aanmelding voor de vrijmetselarij niet voort uit een nostalgisch verlangen naar de religieuze sfeer uit mijn jeugd, wel vanuit het verlangen samen met anderen te zoeken naar het ware, het goede en het schone, een verlangen dat gevoed wordt door de beleving van rituelen. Rituelen die kunnen ontroeren, die verwondering oproepen, die aanzetten tot nadenken over existentiële vragen en die inspireren tot het aanbrengen van bewuste veranderingen in je levenswijze. Ik zocht een plek waar ik zo nu en dan mijn hoofd leeg kon maken om ruimte te scheppen voor wat ik als essentieel ervaar en tevens een plek die me zou inspireren om te worden wie ik in diepste wezen ben. Vanuit dat verlangen besloot ik in 1988 vrijmetselaar te worden.
Hoe kijk ik nu terug op die 23 jaren als vrijmetselaar? Ik kan nu zeggen dat het een goed besluit is geweest. Ik ben gehecht geraakt aan het samenzijn met mijn medebroeders. Ik voel me hier zeer thuis en heb geen enkele reden om te veronderstellen dat dit in de toekomst minder zal worden. Over de betekenis die de vrijmetselarij voor mij heeft wil ik aan de hand van drie thema’s nader ingaan:

       
1, het ‘Ken U zelven’
        2. het werken aan de ruwe steen
        3. de betekenis die ik hecht aan rituelen

Ken U zelven
Voor een vrijmetselaar staat zelfreflectie aan het begin van verandering. Niet voor niets staat boven onze tempelpoort ‘Ken U zelven’, dat volgens Plato-vertaler Mario Molegraaf eigenlijk niet de juiste vertaling is van het ‘Gnothi Sauton’ dat boven de beroemde tempel van Delphi gestaan zou hebben. “Weet je plaats’ zou een betere vertaling zijn, in de zin van : je plaats weten in het grotere geheel. Wat doe ik hier? Wat wil ik? Wat kan ik? Wat mag van mij verwacht worden? Vanuit het perspectief van de zelfreflectie en zeker ook vanuit het perspectief van de ander leer je bij te sturen waar het kan en leer je, om in maçonnieke termen te spreken, mens en wereld te zien als een te voltooien bouwwerk en word je je bewust van je eigen aandeel in die bouw.

Werken aan je eigen ruwe steen

Dit betekent voor mij niet het voortdurend gericht zijn op je onhebbelijkheden om daaraan te gaan beitelen en schaven. Dat kan namelijk al gauw tot frustratie leiden, want je eigen aard en karakter verander je niet zomaar. Jezelf aanvaarden zoals  je bent en je bewust worden van de mogelijkheden en talenten die je gegeven zijn. In die ruwe steen die ik ben, de kubieke steen ontdekken en aan het licht doen treden, om aldus dienstbaar te kunnen zijn ter wille van de gemeenschap. Tot de gemeenschappen waarin ik een eigen rol vervul behoort zeker ook de familiegemeenschap. Zelfreflectie houdt voor mij dan ook ik in: het ontdekken van je eigen unieke plaats in de familiegeschiedenis. Ik ben gedurende de laatste acht jaar nogal druk geweest met het schrijven van familiegeschiedenissen. Het samenstellen van deze familiekronieken heeft me bewust gemaakt van een aantal zaken:

- Allereerst dat ik een veel sterkere verwevenheid met mijn familie ben gaan voelen dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
- Je staat niet aan het begin van je eigen bestaan, maar je staat in een geschiedenis: familie als verlengstuk van jezelf. In mijn familie stuitte ik op een aantal opvallende persoonskenmerken die regelmatig terugkeerden en die ik ook soms ook herken bij mezelf.
- Wat leven we nu in een welvarende tijd met fantastische voorzieningen op het gebied van de gezondheidszorg, opleidings- en keuzemogelijkheden. Het stemt tot dankbaarheid en ook tot compassie met al die mensen die vroeger vaak zoveel ontberingen moesten lijden en dat nu nog moeten op grote delen van de wereld. Toch niet zo gek om in deze tijd en op deze plek te mogen leven.


De betekenis die ik hecht aan rituelen
Ik wil nog graag iets zeggen over het betekenis die de rituelen in de vrijmetselarij voor mij hebben gekregen. In de loge spreken we vaker over ritualen dan over rituelen. Onder een rituaal verstaan we één bepaald op papier vastgelegd ritueel van opening tot en met sluiting. De ritualen zijn me dierbaar geworden en kunnen me, ook al heb ik ze al heel vaak beleefd, nog steeds raken: de ene keer meer dan de andere keer, ook afhankelijk van de kwaliteit van de uitvoering en van mijn eigen vermogen tot ontvankelijkheid en inlevingsvermogen op dat moment. Toen ik eind 1988 voor de Commissie van onderzoek verscheen noemde ik het feit dat de vrijmetselarij zo’n rijke geschiedenis kent op mij een bijzondere aantrekkingskracht uitoefende. Eén van de commissieleden antwoordde toen dat dit toch geen reden kon zijn om specifiek voor de vrijmetselarij te kiezen, want zoveel geestesstromingen kennen een lange geschiedenis. Daar had hij natuurlijk volkomen gelijk in, maar ik bedoelde met name te zeggen dat de vrijmetselarij op mij niet overkwam als een hype en niet geënt was op de waan van de dag, een indruk die sommige New-Age-achtige stromingen op mij maakten. Ik meen dat het betreffende commissielid toen reageerde met de opmerkingen dat ik wat dat betreft wel aan mijn trekken zou komen.
Nu, 23 jaar later, kan ik zeggen dat ik behoorlijk aan mijn trekken ben gekomen. Gaandeweg ontdekte ik dat in onze ritualen allerlei personen, groeperingen en geestesstromingen hun sporen hebben achtergelaten, soms heel nadrukkelijk, soms op verborgen wijze. Over de inhoud van onze ritualen laten wij niet veel los om te bereiken dat de inwijding voor een kandidaat een unieke gebeurtenis blijft. Toch kan het volgens mij geen kwaad om wat elementen te noemen uit onze ritualen die verwijzen naar het universele streven van de mens die in alle tijden gezocht heeft naar antwoorden op de vragen die het leven hem stelde. Ik heb maar liefst elf invloeden kunnen ontdekken. Er zullen er vast nog meer zijn. Een overzicht, dus zonder de pretentie volledig te zijn:

- De wetenschap der geometrie in de Klassieke Oudheid al beoefend, o.a. door Pythagoras, met zijn ontdekking van  zuivere geometrische verhoudingen, voor ons symbool voor de harmonie die we in ons leven proberen te bereiken;
- Leonardo da Vinci, wiens beeld van de ‘homo universalis’ die volmaakte harmonie uitstraalt;
- De alchemisten, die naast te experimenteren met de vier stoffelijke elementen van aarde, lucht, water en vuur, op zoek gingen naar het vijfde element, de ‘quinta essentia’ welke al het bestaande een diepere dimensie geeft;
- De Joodse kabbalisten die doordrongen waren van de onuitsprekelijkheid van de naam van de Allerhoogste of het Allerhoogste, een naam die alleen in dialoog gegeven kan worden aan hem die het reeds kent;
- Naast sporen uit de Joodse mystiek zijn in de ritualen ook mythen opgenomen, gebaseerd op oudtestamentische gegevens betreffende de bouw van de Tempel van Salomo, voor ons een zinnebeeldige tempel der mensheid waaraan wij dienen te arbeiden;
- Ook de invloed van de gnostiek en de esoterie zijn in onze ritualen te onderscheiden: de ‘kennisse des harten’ wordt van een hogere orde geacht dan het rationele weten en de Goddelijke vonk ligt in het binnenste van de mens verborgen;
- De kathedralenbouwers, die een bouwplan ontwierpen waarin alle bouwlieden, leerlingen, gezellen en meesters, een eigen bijdrage moesten leveren om zo gezamenlijk een bouwwerk op te richten dat sublieme schoonheid uitstraalde (relatie met onze werkwijze blijkt uit een afbeelding die ik onlangs vond in de St. Jans kathedraal in Den Bosch);
- Ook sporen van een aantal theologische stromingen zijn aanwijsbaar in onze ritualen: het pantheïsme, het theïsme en het deïsme, elk op eigen wijze pogingen om de Goddelijke aanwezigheid te omschrijven. Zo is het begrip ‘de Opperbouwmeester des Heelals’ sterk verwant aan de Deïstische stroming. Voor ons, en zo staat het nu ook in ons beginsel-programma, is dit woord een symbolische aanduiding van een hoog beginsel, waaraan iedereen op eigen en eigentijdse wijze invulling kan geven;
- Ook het holisme (alles hangt met alles samen), is een stroming die op enkele plaatsen in de ritualen duidelijk naar voren komt. Het is een stroming die in het New Age – tijdperk hernieuwde belangstelling geniet: de ervaring dat het gehele universum één groot levend organisme is waarin elk element, bewust of onbewust, een functie vervult ter wille van het geheel. In overdrachtelijke zin gesproken t.a.v. de vrijmetselarij: ieder vormt een levende bouwsteen en is een schakel in een keten die de gehele aarde omspant.
- En tenslotte komen we in onze ritualen de verlichtingsfilosofen tegen uit de 18e eeuw, die de mens wilden bevrijden uit een dwangbuis van opgelegde denkpatronen en hem wilden aansporen tot autonomie, zelfbeschikking en zelfverantwoordelijkheid. Het komt op jezelf aan!

De naam van onze loge (‘Le Préjugé Vaincu’) ontstond in het verlichtingstijdperk en is veelzeggend in dit opzicht. Zo worden we in onze ritualen geconfronteerd met de mens, die op zoek is naar antwoorden op wezenlijke vragen rond zijn identiteit, vragen die van alle tijden zijn. Daarbij ontdek je dat je medebroeders ook gewone mensen zijn zoals jijzelf, met dezelfde of andere vragen, met hun eigen kwaliteiten en hun beperkingen. De beleving van broederschap en het geïnspireerd worden door je medebroeders is wel het allermooiste wat de vrijmetselarij me geboden heeft. Het is zo tegengesteld aan wat de dichter Hendrik Marsman beleefde toen hij schreef: ‘Ik sta alleen; geen God of maatschappij die mijn bestaan betrekt in een bezield verband’.
Tot slot, aan het eind van dit bouwstuk nog even terug naar hoe ik begon, nl. naar het verlangen vrijmetselaar te worden. Wat verlang ik als vrijmetselaar nu nog na die 23 jaar?
In een boekje, getiteld ‘Stil en aandachtig’ trof ik een gedichtje aan van Daisy Smith waarin kernachtig verwoord wordt wat mijn diepste verlangen is:

    Geworteld in het verleden,
    staande in het heden,
    groeien naar je bestemming,
    naar wie je in diepste wezen bent,
    en zo jezelf toevertrouwen
    aan wat is en komt.

Ten aanzien van de toekomst van onze 227 jaar oude Loge heb ik ook nog een paar verlangens. Allereerst dat in onze loge bezieling de drijfveer blijft vormen bij onze arbeid. Niet alleen leunen op wat de traditie ons aanreikt, maar ook zorgen dat die traditie levend blijft door onze eigen bijdrage eraan toe te voegen en zo zelfvernieuwend bezig te blijven. Gezapigheid en zelfgenoegzaamheid buiten de deur houden; een loge is geen salon, geen sociëteit (al is het aangenaam toeven in de zevende graad na gedane arbeid), maar een werkplaats. Ik hoop dat wij als vrijmetselaren van de eenentwintigste eeuw ook de moed hebben om typisch tijdgebonden elementen, bijv. in de vorm van bepaalde formuleringen in onze ritualen, aan te passen aan ons huidige levensgevoel, zodat we ook herkenbaar en aantrekkelijk blijven voor een nieuwe generatie. Er blijft altijd werk aan de winkel. Dat we die arbeid kunnen blijven verrichten in de aangename sfeer van goed gezelschap, is mijn intens verlangen. En als de tijd komt, dat ik stijf en stram van leden de wekelijkse gang naar de loge niet meer kan maken, dat er dan zo af en toe nog eens een middag met oudere broeders plaatsvindt. Ik hoop dat ik dan aan het eind van zo’n rituaal hetzelfde kan zeggen als onze 93-jarige logelid onlangs zei (en dat klonk niet als een cliché. omdat het uit de grond van zijn hart kwam) : “Achtbare meester, dank voor deze bijeenkomst, ik heb er zeer van genoten”.